13-04-2026
Groen doen… zonder greenwashing
Lees verder
Geplaatst op: 13-04-2026
Het tankstation is allang niet meer alleen een plek om te tanken. Elektrificatie, veranderend reisgedrag en een consument die steeds minder tijd heeft, zetten het klassieke pompmodel onder druk. Tegelijkertijd groeit het belang van retail: van koffie en broodjes tot vergeten boodschappen en impulsproducten. Maar hoe toekomstbestendig zijn de huidige retailconcepten bij tankstations? En waar liggen nog kansen of juist risico’s?
Twee retailspecialisten met een uitgesproken visie buigen zich over die vraag: Paul Moers, bekend retailexpert en veelgevraagd commentator, en Dirk Mulder, sectorspecialist Trade & Retail bij ING. Hun perspectieven verschillen in toon, maar raken aan dezelfde kern: het tankstation staat op een kruispunt.
Paul Moers behoeft nauwelijks introductie. Als retailexpert is hij al jaren een vaste stem in media als BNR, Kassa en Radar. Zijn blik is scherp, uitgesproken en altijd vertrekkend vanuit de consument. Volgens Moers doen tankstations één ding onmiskenbaar goed: inspelen op het snack- en ‘on the move’-moment. “Tankstations weten heel goed welke producten aantrekkelijk zijn voor de snackende consument,” stelt hij. “Dat doen ze echt goed.”
Maar daar houdt het positieve voor hem grotendeels op. Zijn grootste kritiekpunt: het prijsniveau. “De prijzen bij tankstations liggen extreem hoog. Dat begint mensen echt te irriteren. In een tijd waarin budgettering steeds belangrijker wordt, gaan consumenten zich afvragen: waar kan ik besparen? En dan is het antwoord vaak: niet kopen bij een tankstation.”
Die prijsbeleving werkt volgens Moers door in de totale klantervaring. “Je krijgt als klant steeds meer het gevoel: ik ben hier vooral een geldmachine. Dat is geen prettig gevoel en al helemaal niet toekomstbestendig.” Een concreet voorbeeld is het toiletbeleid. “Je moet betalen voor het toilet en vaak is het dan ook nog smerig. Dat vind ik echt onacceptabel.” Moers vergelijkt de Nederlandse situatie met zijn recente retailreizen naar Japan en Italië. “In Japan zijn toiletten bij tankstations gratis én onberispelijk schoon. Dat niveau hebben wij hier niet eens in ziekenhuizen.” Volgens Moers zit daar een fundamentele les: service is geen kostenpost, maar een investering in loyaliteit. “In Nederland proberen we het toiletprobleem op te lossen met een kortingsbon. Dat vind ik zó godvergeten Nederlands. Het is onsympathiek en doorzichtig.”
Moers ziet vooral in het buitenland inspiratie voor een andere benadering van tankstationretail. In Italië viel hem de winkelopzet op. “Daar zijn tankstations vaak verrassend groot, met een slimme routing. Je loopt langs het hele assortiment voordat je weer buiten staat.” Ook het aanbod is volgens hem aantrekkelijker. “Lokale producten, goede wijn, bijzondere chocolade, mooie aanbiedingen. Dingen die je niet standaard in de supermarkt vindt en dat tegen een schappelijke prijs.” In Nederland daarentegen ervaart Moers veel tankstations als kil. “Je komt binnen en denkt: hier willen ze echt de laatste cent uit me trekken. Waarom niet wat meer sfeer, wat meer warmte, wat meer plezier?”
Innovatie ziet hij nauwelijks. “Ik volg innovaties in retail op de voet, maar bij tankstations zie ik vooral veel van hetzelfde. Er wordt te weinig radicaal nagedacht. Terwijl er zóveel mogelijk is – technologisch, qua beleving en qua assortiment.” Zijn conclusie is scherp: “De dag dat je in retail denkt dat het vanzelfsprekend is, is de dag dat het fout gaat. En ik heb het gevoel dat tankstations zichzelf op dit moment een beetje in de voet schieten.”
Waar Moers scherp en normatief is, kijkt Dirk Mulder analytischer. Als sectorspecialist Trade & Retail bij ING volgt hij de ontwikkelingen in de branche al jaren, met oog voor exploitatie, schaalbaarheid en lange termijn. Mulder plaatst het tankstation nadrukkelijk in een bredere transitie. “We bewegen langzaam van traditionele brandstoffen naar elektrisch. Die transitie verloopt trager dan eerst gedacht, maar het einddoel verandert niet. Dat heeft grote gevolgen voor de functie van het tankstation.” Volgens Mulder verschuift het station van brandstofpunt naar contactpunt voor de reiziger onderweg. “Retail wordt daarmee steeds belangrijker. Niet als bijzaak, maar als kernfunctie.”
In tegenstelling tot Moers ziet Mulder juist veel positieve ontwikkelingen in de shopomgeving. “Tankstations hebben de afgelopen jaren echt goede stappen gezet. De kwaliteit van het aanbod is hoog, vaak vers en goed afgestemd op het moment van de dag.” Hij wijst op het onderscheid
tussen verschillende gebruiksmomenten: ochtend, middag, avond. “De consument die ’s ochtends langskomt heeft andere behoeften dan iemand die laat thuiskomt en nog snel iets nodig heeft. Daar spelen veel concepten inmiddels goed op in.”
Een belangrijk verschil in visie tussen beide experts zit in de rol van horeca. Waar Moers pleit voor meer kwaliteit en beleving in food, is Mulder terughoudender. “Ik geloof zelf meer in de ontwikkeling richting supermarktlogica dan in uitgebreide horecaconcepten.” De reden is pragmatisch. “Nederland is geen echt doorrijland. Afstanden zijn relatief kort en het horeca-aanbod langs de weg is al groot. Een tankstation dat inzet op langer verblijf, begeeft zich in een lastige positie.”
Mulder ziet meer potentie in samenwerking met sterke retailpartners. “De consument die een pompshop bezoekt, is een andere consument dan degene die zijn weekboodschappen doet. Die komt voor gemak, snelheid en oplossingen voor ‘vergeten momenten’. Daar moet je assortiment
en prijsniveau op aansluiten.” Wat betreft toiletten neemt Mulder een genuanceerdere positie in dan Moers. “Als je schone toiletten wilt, dan hoort daar een prijs bij. Dat vind ik niet onlogisch.” Tegelijk ziet hij ook commerciële kansen. “Je hebt die consument binnen. Dan is het logisch om hem te verleiden met een aanbieding of korting.”
Over één ding zijn beide heren het eens: locatie is cruciaal. Toch verschilt hun nadruk. Moers pleit voor meer lokale accenten in het assortiment om het aanbod aantrekkelijker en menselijker te maken. Mulder bekijkt het vanuit investeringslogica. “Elk concept moet schaalbaar zijn, anders worden de investeringen te zwaar. Maar binnen dat schaalbare model kun je wél met modules werken, afgestemd op de omgeving.” Die modulariteit ziet hij ook terug in nieuwe samenwerkingen, bijvoorbeeld rond toiletfaciliteiten of pakketkluizen. “Niet alles hoeft overal. Het hangt sterk af van de locatie en de functie van het station.”
Voor de toekomst komen de visies weer dichter bij elkaar. Zowel Moers als Mulder zien het tankstation evolueren naar een bredere mobiliteitsplek. Mulder schetst het beeld van mobility hubs: plekken waar tanken, laden, parkeren, doorreizen en retail samenkomen. “Een plek waar je even koffie haalt, een broodje meeneemt, misschien je pakket ophaalt en weer verder gaat.” Moers benadrukt dat die toekomst alleen kansrijk is als de branche het klantgevoel serieus neemt. “Sfeer, assortiment, prijsniveau en service moeten in balans zijn. Anders haken mensen af.”
Waar Moers het tankstation confronteert met het risico van doorschieten in prijs en efficiëntie, plaatst Mulder de ontwikkelingen in een breder perspectief. Volgens hem is de branche al volop in beweging, met concepten die steeds beter aansluiten op de behoefte van de reiziger onderweg. De uitdaging zit niet zozeer in méér functies, maar in het verfijnen van wat er al is – schaalbaar, rendabel en passend bij de locatie. Of, zoals Moers verwoordt: “Je kunt blijven beknibbelen of je kunt een keer radicaal anders gaan denken. De vraag is: durf je dat?”