21-09-2026
Drive-opleidingen volop in beweging
Lees verder
Geplaatst op: 21-09-2026
Wie het terrein van Heinen Brandstoffen in De Heurne kent, weet dat dit geen doorsnee tankstation is. De winkel oogt eerder als een ouderwetse kruidenierszaak dan als een moderne shop, met houten vakkenkasten die al sinds de jaren vijftig dienstdoen. Achter de kassa staat geregeld eigenaar Gerrit Heinen zelf. Zijn bedrijf draait niet alleen om brandstoffen, olie en gas, maar vooral om mensen. In de Achterhoek noemen ze dat ‘noaberschap‘: naar elkaar omkijken, elkaar helpen en net dat stapje extra zetten.
‘Nee, helemaal niet. Ik ben in 1992 definitief in het bedrijf gekomen, maar daarvoor heb ik eerst een aantal jaren in Rotterdam gewerkt bij de groothandel in olie. We verkochten brandstoffen vanaf de depots aan handelaren door heel Nederland en daardoor heb ik de branche van een heel andere kant leren kennen. Toen ik naar Rotterdam vertrok, wist ik eerlijk gezegd nog niet of ik ooit terug zou komen. Maar hoe langer je ergens werkt, hoe beter je ziet hoe dingen gaan. Op een gegeven moment zei mijn vader: “Als je in de zaak wil, moet je het nu doen.” Daar heb ik eigenlijk geen seconde over hoeven nadenken.’
‘Het contact met mensen. De groothandel is ontzettend interessant, maar uiteindelijk zit je daar in een relatief kleine wereld. Hier heb je iedere dag contact met klanten en dat vind ik veel mooier. Wij leveren niet alleen brandstof; we leveren ook service. Je kent de mensen, je weet wat er speelt en je bouwt een band op.’
‘De basis van het bedrijf was uitstekend. Mijn vader had een solide onderneming opgebouwd. Alleen zaten we nog wel heel erg in de manier van werken van de jaren zestig en zeventig. Computers? Nauwelijks. Veel ging nog handmatig. Ik vond dat we daarin stappen moesten zetten, maar dat betekent niet dat het vroeger slecht was. Integendeel. Maar iedere generatie kijkt weer anders naar een bedrijf. Je wilt processen slimmer maken, automatiseren waar dat zin heeft en zorgen dat je klaar bent voor de toekomst.’
‘Dat klopt eigenlijk ook. Oorspronkelijk hadden mijn opa en zijn broer hier een bakkerij, een molen en een kruidenierswinkel. Vanuit de molen zijn we uiteindelijk steeds verder de oliehandel ingerold. Die kruidenierswinkel was er nog toen ik in het bedrijf kwam. Op een gegeven moment hebben we besloten om die winkel onderdeel van het tankstation te maken. Maar we hebben die prachtige houten inrichting gewoon behouden. Volgens mij bestaat er in Nederland geen tweede tankstation met zo’n interieur. Alles is nog handwerk, met houten vakken en schappen uit de jaren vijftig. Veel mensen zeggen dat het bijzonder is en dat vinden wij zelf eigenlijk ook. Het vertelt iets over waar we vandaan komen.’
‘Omdat het bij ons past. Natuurlijk kun je alles strak en modern maken, maar dan verlies je ook iets van je identiteit. Op een gegeven moment ga je jezelf afvragen waarom je dingen eigenlijk doet. Wat is je drijfveer? Waar word je blij van? Toen kwam ik steeds weer uit bij de Achterhoek. Wij zitten hier vlak bij de Duitse grens, midden in een streek waar gemeenschapszin nog heel belangrijk is. Daar hoort ook onze winkel bij.’
‘Noaberschap is veel meer dan buurhulp. Het is een oud systeem van rechten én plichten. Je helpt elkaar als dat nodig is, maar je weet ook dat je zelf ooit geholpen wordt. Bij een bruiloft of een begrafenis zie je dat hier nog steeds. Dan neemt de buurt heel veel werk uit handen. Mensen staan voor elkaar klaar en dat zit diep in de cultuur van de Achterhoek. Dat gevoel hebben wij eigenlijk vertaald naar ons bedrijf.’
‘Door dienstbaar te zijn, nét dat stapje extra te zetten. Niet denken: het is vijf uur, ik ga naar huis. Nee, als een klant hulp nodig heeft, probeer je dat op te lossen. Dat zit in kleine dingen, even meedenken, helpen, een vriendelijk woord. Dat kost vaak helemaal niets. Wij zijn geen landelijke keten met honderden vestigingen, maar een regionaal familiebedrijf. Dan moet je het ook hebben van de relatie met je klanten.’
‘Ja, absoluut. Mensen komen terug omdat ze zich hier prettig voelen. Natuurlijk kijken klanten ook naar de prijs – dat doen we allemaal – maar uiteindelijk willen mensen ook gewoon prettig geholpen worden. Dat zit niet alleen bij mij, maar voor iedereen die hier werkt. Onze chauffeurs, de mensen achter de kassa, de collega’s op kantoor. Zij zijn allemaal het gezicht van ons bedrijf.’
‘Absoluut. Dat merk je vanzelf. Mensen die hier werken, moeten een beetje hetzelfde DNA hebben. Als dat niet zo is, dan houdt het meestal vanzelf op. Dat klinkt misschien hard, maar je merkt gewoon dat iemand zich dan niet thuis voelt. Onze chauffeurs zijn ontzettend belangrijk. Die komen bij boeren op het erf, die kennen de klanten persoonlijk. Zij zijn eigenlijk net zo goed het gezicht van Heinen Brandstoffen als ik en dat geldt ook voor de mensen achter de kassa. Iedereen heeft weleens een mindere dag, maar uiteindelijk probeer je er toch weer een geintje van te maken. Een glimlach doet gewoon ontzettend veel.’
‘Ja, natuurlijk. Waarom niet? Als er buiten iets opgeruimd moet worden, dan pak ik de kruiwagen. Als het druk is achter de kassa, dan spring ik daar bij. Dat vind ik heel normaal. Ik zie mezelf niet als directeur die alleen maar opdrachten geeft. Daar geloof ik niet in. Je moet gewoon onderdeel blijven van het bedrijf.’
‘Dat klopt. We rijden inmiddels met twee tankwagens in Nederland en met vijf in Duitsland. Dat is in de loop der jaren flink gegroeid. Ik spreek Duits omdat mijn moeder Duits is en dat heeft enorm geholpen. Niet alleen vanwege de taal, maar ook omdat je de cultuur beter begrijpt wan er zijn natuurlijk verschillen. In Duitsland is de hiërarchie vaak duidelijker. Als je daar tegen iemand zegt: “Spring”, dan vraagt hij: “Hoe hoog?” In Nederland krijg je eerder de vraag: “Waarom?” Dat is gewoon een andere manier van werken. Maar als je bij boeren komt, zijn de verschillen eigenlijk helemaal niet zo groot. Een Nederlandse boer en een Duitse boer lopen tegen dezelfde problemen aan en dat maakt het prettig werken.’
´Jazeker. We hebben periodes gehad waarin de prijsverschillen met Duitsland enorm waren. Dan wordt het gewoon lastig. Daar kun je als ondernemer weinig tegen doen. We zijn vaak genoeg naar Den Haag geweest om uit te leggen wat de gevolgen waren van accijnsverhogingen, maar uiteindelijk heb je daar weinig invloed op. Gelukkig bestaat ons bedrijf uit meerdere onderdelen. We hebben het tankstation, maar ook een oliehandel en een gashandel. Als het op de ene plek wat minder gaat, vangt een ander onderdeel dat vaak weer op. Dat maakt je als familiebedrijf weerbaarder.´
‘Ja. Eigenlijk heb ik alles wat we verdienden weer terug in het bedrijf gestopt. Dat is altijd mijn manier van ondernemen geweest. Dat geldt ook voor automatisering. Je moet daarin meegaan, maar het moet wel iets toevoegen. We zijn ooit begonnen met tankpassen en een nieuw kassasysteem. Dat lijkt nu heel vanzelfsprekend, maar destijds was dat een enorme stap. Ik kijk altijd om me heen. Wat doen anderen? Wat werkt goed? Kunnen wij daar iets van leren?’
‘Dat is heel bijzonder. Mijn dochter is uiteindelijk ook weer in het bedrijf terechtgekomen. Ze heeft een andere opleiding gevolgd, maar ontdekte toch dat dit haar wereld is. Ze rijdt zelfs op de grootste tankwagen. Mijn zoon heeft eerst allerlei andere dingen gedaan. Hij werkte onder meer als stratenmaker en vrachtwagenchauffeur. Op een dag vroeg hij of hij ook bij ons kon beginnen en natuurlijk mocht dat. Ik vind het eigenlijk wel mooi dat ze allebei eerst iets anders hebben gezien. Dan maak je een veel bewustere keuze.’
‘Dat is misschien wel het moeilijkste. Je bouwt iets tientallen jaren op en op een gegeven moment moet je accepteren dat anderen het gaan overnemen. Dat is soms lastig, maar het hoort erbij. Bovendien zie ik bij hen precies hetzelfde als wat ik vroeger bij mijn vader had. Zij denken soms ook: dat kan sneller, dat kan slimmer. En eerlijk gezegd hadden wij vroeger precies dezelfde discussie. Zij moeten uiteindelijk de puzzel leggen voor de komende dertig jaar. Ik hoef dat niet meer te doen.’
‘Dat blijft lastig. Voor diesel zie ik de komende tien of vijftien jaar nog wel voldoende toekomst. Zeker in de agrarische sector. Ik zie voorlopig nog geen trekkers met accu’s over het land rijden. Maar hoe de wereld er over dertig jaar uitziet, weet niemand.
Elektrisch laden, waterstof… wij zijn niet groot genoeg om daar als eerste miljoenen in te investeren. Dat zou onverstandig zijn. Zodra er een verdienmodel ontstaat dat bij ons past, kunnen we altijd instappen. Maar je moet niet de eerste willen zijn als dat financieel niet verantwoord is.’
‘Dat ze kunnen blijven ondernemen zoals wij dat altijd gedaan hebben, een goede boterham verdienen én dat mensen hier graag blijven komen. Want uiteindelijk draait het niet alleen om brandstof, maar om vertrouwen. Om mensen kennen. Om een stapje extra zetten. Dat is volgens mij de kracht van een familiebedrijf. En zolang we dat blijven vasthouden, heb ik alle vertrouwen in de toekomst.’